Top of this document
Go directly to navigation
Go directly to page content

Verhaal

Een Formule I-stal voor life sciences

Ruben Kok (NBIC)

Optimaal gebruik van nieuwe technologie is essentieel voor de ontwikkeling van de life sciences. Daarom moeten we de technologieplatforms die de laatste jaren zijn opgebouwd beter benutten.

Dat zegt Ruben Kok, managing director van één van die platforms, het NBIC (Netherlands Bio-Informatics Centre). Samen met Eduard Klasen (LUMC) en Luc Rietveld (NGI) pleit hij voor een raamwerk voor life sciences technologieën. In het boek ‘Partners in the Polder’ maken ze een vergelijking met een Formule I-race: Technologen zorgen voor een geavanceerd voertuig, uitgerust met de laatste snufjes. De levenwetenschappers hebben het stuur in handen. Maar alleen door optimale samenwerking winnen ze de race. Kok: „Onder de paraplu van het Netherlands Genomics Initiative (NGI) heeft zich de laatste jaren een aantal technologieplatforms ontwikkeld. NBIC is er één van, maar ook NPC (Netherlands Proteomics Centre), NMC (Netherlands Metabolomics Centre) en het pas opgerichte Netherlands Consortium for Systems Biology horen daarbij.”

De organisaties ontwikkelen zich steeds meer tot nationale technologieplatforms, waar ook andere centra gebruik van kunnen maken. Kok wijst op de groeiende samenwerking met TI Pharma, TI Food & Nutrition, TI Groene Genetica en CTMM (Centre for Translational Molecular Medicine). „Ook buiten de NGI-paraplu zien we technologieprogramma’s ontstaan, die relevant zijn voor de levenswetenschappen. Voorbeelden zijn programma’s op het gebied van imaging (Cyttron), nanotechnologie (NanoNed) en nanoscopie (NeCEN). Ook initiatieven op het terrein van biobanken, zoals Parelsnoer, BBMRI en LifeLines bundelen en ontwikkelen expertise voor de levenswetenschappen.”

De ontwikkeling van een technologie platform begint, volgens Kok, meestal met een aantal wetenschappers die het potentieel van een zich internationaal ontwikkelende technologie vroeg herkennen en in huis halen; de early adopters. „Ze ontwikkelen de expertise die nodig is om die technologie te gebruiken voor hun eigen vakgebied. Als ze erin slagen om ook anderen te overtuigen van het potentieel van de betreffende technologie en de fondsen weten te verwerven voor verdere ontwikkeling en toepassing in publiekprivaat onderzoek, bijvoorbeeld uit BSIK en FES, ontstaat er een min of meer formele structuur, een platform, rond een bepaalde technologie, dat ‘enabling’ kan worden voor onderzoeksgroepen en –netwerken.”

Een nog altijd onderschatte rol van technologieplatforms is dat ze onderzoekers van verschillende pluimage met elkaar in contact brengen. Kok: „Technologie heeft een groot integrerend vermogen. De plantenveredelaar en de kankeronderzoeker komen elkaar tegen bij het ontwikkelen en verbeteren van micro-array’s of door het gebruik van technieken om grote hoeveelheden data te verwerken. De praktijk leert dat de ontmoeting van verschillende disciplines rond eenzelfde technologie wederzijds enorm stimulerend werkt. En, niet onbelangrijk, vaak ook weer een impuls is voor de ontwikkeling van nieuwe technologie.”

De huidige generatie technologieplatforms is redelijk onafhankelijk gevormd en heeft verschillende vormen van support opgeleverd. Kok: „Uit eigen ervaring weet ik dat het buitengewoon zinvol kan zijn om de bioinformatica-specialist al in een vroeg stadium mee te laten denken over de opzet van een experiment. Support begint dus bij nauwe samenwerking in het onderzoek, en kan uiteindelijk leiden tot een bijna service-achtige benadering en actieve training van onderzoekers. We moeten gebruik maken van deze ervaringen en als technologieplatforms onze aanpak gaan coördineren en onze technologieën gaan combineren. Daarmee wordt het voor de levenswetenschappers een stuk eenvoudiger om te profiteren van deze nieuwe technologieën. Het maakt het ook makkelijker om ze gezamenlijk toe te passen in het systeemgerichte biologisch onderzoek.”

Volgens Kok en zijn mede-auteurs van het hoofdstuk Technology in ‘Partners in the Polder’ is er dus een wereld te winnen door de modus operandi van technologieplatforms voor de levenswetenschappen op elkaar af te stemmen. Kok: „Afstemming tussen technologieplatforms onderling en met de technologische topinstituten en andere grote onderzoeksprogramma’s voorkomt dat ieder technologieplatform weer opnieuw het wiel moet uitvinden.”

Kok c.s. pleiten voor het oprichten van een coördinerend orgaan, een programmaraad, die de onderlinge afstemming faciliteert. De ‘programming board’ kan behalve bij de
afstemming ook een rol spelen bij het maken van afspraken over valorisatie van onderzoek en bij het bewaken van de kwaliteit van de technologieplatforms. Niet in de laatste plaats zou het een rol moeten spelen bij het verwerven en van fondsen voor nieuwe en bestaande technologische platforms. Dat kunnen EU-fondsen zijn, maar ook fondsen van de Nederlandse overheid. Kok: „Het kan een goede aanvulling zijn op de roadmap voor grootschalige wetenschappelijke infrastructurele voorzieningen van de Commissie van Velzen.”

Kok benadrukt dat het niet de bedoeling is om weer een nieuwe bureaucratische laag toe te voegen aan de overgeorganiseerde wereld van de levenswetenschappen. „We pleiten voor een lichte structuur: een netwerk van technologische platforms en onderzoeksgroepen die samen de koers uitzetten en voorstellen ontwikkelen voor het optimaal inzetten van technologie voor het ontrafelen van biologische mechanismen. Een gezonde technologische basis voor onderzoek en innovatie in de levenswetenschappen.”

Bron: Onderzoek Nederland 247, 15 januari 2010, pagina 4

15 jan 10
Voeg een reactie toe

Post title

Post url

Your comment

Author

Comment

Mail

Website

titel *verplicht

reactie *verplicht

Houd me op de hoogte

naam *verplicht

email *verplicht