Verhaal, Artikel
Nieuwe consensus nodig over innovatie
Universiteiten moeten het voortouw nemen in het democratiseren van de technologische doorbraakinnovaties. En dat kan alleen als zij onderzoek voor de lange termijn en ontwikkeling voor de korte termijn combineren.

handshake.JPG -
Illustratie: Ed’
Dat zegt prof.dr. Wim de Ridder, voorzitter van de Stichting Maatschappij en Onderneming (SMO) en hoogleraar Toekomstonderzoek aan de Universiteit Twente. Ter gelegenheid van de dies van die universiteit hield De Ridder onlangs een rede over het omgaan met doorbraakinnovaties. „Universiteiten zijn de dragers van kennis over doorbraakinnovaties die zich nog gaan voordoen. Omdat hun onderzoek is gericht op de lange termijn. Maar als je gaat kijken, blijkt het erg moeilijk te achterhalen wat er in de universiteiten gebeurt. Ik ben in Twente bij alle belangrijke richtingen langs geweest, en dan zie je overal prachtige dingen gebeuren, die nauwelijks naar buiten komen.”
Voor de golf van technologische innovaties die zich de komende decennia aandient heeft het bedrijfsleven nog geen belangstelling. De politiek besteedt er weinig aandacht aan. En de publieke opinie, zegt De Ridder, heeft te weinig kennis van de toekomst om er een oordeel over te vellen. Grootse debatten als over kernenergie en biotechnologie hebben dan ook geen zin gehad, zegt De Ridder: „We moeten over nanotechnologie niet gaan debatteren zoals we over biotechnologie hebben gedaan. De wetenschappelijke ontwikkeling is ver gevorderd, maar voor de consument is nano nog ver weg.”
„De overheid speelt een belangrijke rol bij de acceptatie van zo'n nieuwe technologie. Niet door te zeggen dat zij investeert in nanotechnologie, maar door te zeggen dat zij de ontwikkeling stimuleert van nieuwe voedingsmiddelen of medicijnen, waarin nanotechnologie wordt toegepast. Dan wordt het concreet. Dan kunnen mensen ook te weten komen wat gevaarlijk is en wat niet. Dan kan de wetenschap ook een zinvolle discussie aangaan.”
De universiteit moet de ramen opengooien en laten zien waar zij mee bezig is, zegt De Ridder. Dat kan ook, want veel universitaire instituten werken tegelijk aan fundamenteel onderzoek voor de lange termijn en toegepast onderzoek voor de korte. De Ridder noemt het voorbeeld van MESA+ in Twente, dat meeloopt in de frontlinie van de mondiale zoektocht naar de grens van de miniaturisering, en tegelijk microarrays ontwikkelt voor de diagnose van medische aandoeningen. Lange en korte termijn liggen in elkaars verlengde, zegt De Ridder: „Dat betekent niet dat iedere onderzoeker tegelijk met de lange en de korte termijn bezig moet zijn. Maar wie leiding geeft aan het onderzoek moet wel die dubbele oriëntatie in het oog houden.
Dat betekent dat projecten voor de markt die niet bijdragen aan de het perspectief van het vakgebied op lange termijn, afgewezen moeten worden. En omgekeerd moet geen fundamenteel onderzoek worden gedaan als de vakgroep niet deelneemt in de netwerken en markten op dat gebied.” De opkomst van open innovatie vergt een aanpassing van de universiteiten, zegt De Ridder. Innovatie wordt een proces dat zich niet meer voltrekt in de keuken van een groot bedrijf, maar als een spel tussen vele stakeholders, van toeleveranciers tot gebruikers. „In het fundamentele onderzoek heeft de universiteit de regie. Maar in open innovatie zijn dat de marktpartijen en stakeholders. Daar heeft de universiteit een dienende rol. Die twee rollen moeten gekoppeld zijn, anders wordt je wetenschap wereldvreemd.”
Voorbeeld van de nieuwe leest waarop het innovatieproces wordt geschoeid is het dit jaar opgerichte European Centre for open Innovation (ECI), een SMO-initiatief dat De Ridder samen met Guus Berkhout (TUD) leidt. In het ECI ontwerpen fellows in opdracht van bedrijven innovatietrajecten en transitiepaden, met de hulp van kennisinstellingen.
Ook overheden zien die evolutie naar open innovatie, maar spelen er nog onvoldoende op in, aldus De Ridder. Wet- en regelgeving en onderzoeksfinanciering moeten worden aangepast om open innovatie te stimuleren. De Ridder pleit voor een Europese consensus over open innovatie op basis van vier eenvoudige uitgangspunten.
Het eerste betreft intellectuele eigendom. Die is essentieel voor de gang van nieuwe kennis naar de markt, en kan tegelijk een hindernis zijn in open innovatieprocessen. Uitgangspunt van wetgeving moet zijn, aldus De Ridder, dat de bescherming van intellectuele eigendom vervalt als de houder daarmee geen ontwikkelactiviteiten ontplooit.
Tweede belangrijke punt voor open innovatie is dat kenniswerkers zich vrij kunnen bewegen over de wereld. Wie hier een gegarandeerde bron van inkomsten heeft, moet vlot een verblijfsvergunning krijgen voor vijf jaar.
Derde punt is dat het huidige mededingingsrecht de samenwerking van bedrijven te veel blokkeert, al probeert Brussel daarin wat verandering te brengen. Uitgangspunt moet zijn, zegt De Ridder, dat het mededingingsrecht niet van toepassing is op de producenten van innovatieve goederen en diensten zo lang de samenwerking tussen bedrijven niet tot een ongeoorloofde marktmacht leidt.
Vierde en laatste uitgangspunt is dat niet wetenschappelijke publicaties maar innovatie de basis wordt voor de financiering van kennisinstellingen. De geldstroom naar universiteiten moet gebaseerd worden op een peer review van hun rol bij innovatiedoorbraken, aldus De Ridder. „In de onderzoeksfinanciering hebben we tot nu toe de wetenschappelijke kant van universiteiten benadrukt. Dat kan te ver voeren, het is te eenzijdig; het maakt de wetenschap tot een gesloten huis.”
Bron: ON180, pagina 4
Voeg een reactie toe