Top of this document
Go directly to navigation
Go directly to page content

Verhaal

Duurzame toekomst voor de Geesteswetenschappen

Creëer een substantieel extra budget Geesteswetenschappen waarop faculteiten een beroep kunnen doen op basis van een overtuigend toekomstplan. Stel een regieorgaan in dat de voorstellen toetst. Versterk de kansen op tweede geldstroomonderzoek voor geesteswetenschappers. En ontwikkel een adequate kwaliteitsbeoordeling voor hun prestaties. Dat zijn de belangrijkste aanbevelingen uit het rapport van de commissie Nationaal Plan Toekomst Geesteswetenschappen onder voorzitterschap van Job Cohen.

Hij heeft het eindrapport vanmorgen overhandigd aan minister Ronald Plasterk, die een jaar geleden de opdracht gaf voor het opstellen van dit advies. In een eerste reactie laat minister Plasterk weten positief te staan tegenover de aanbevelingen in het rapport. Hij is bereid extra te investeren in de ondersteuning van de geesteswetenschappen. Hij komt in het voorjaar van 2009 met een kabinetsreactie.

In september 2007 is de Commissie Cohen gevraagd een plan te ontwerpen voor een duurzame toekomst van het geesteswetenschappelijk onderwijs en onderzoek in Nederland. Aanleiding vormden de herhaalde signalen dat zich een aantal structurele problemen voordoen die de ontwikkeling van dat wetenschapsgebied bedreigen.

Geesteswetenschappen richten zich op de bestudering van uiteenlopende uitingen van de menselijke geest, zoals taal, kunst, literatuur, media, religie in zowel in heden als verleden. Via de bestudering van andere talen en culturen leveren zij essentiële kennis voor onze economische, politieke en culturele relaties met de rest van de wereld. De geesteswetenschappen zijn ook van belang voor vraagstukken rond identiteit, integratie en sociale cohesie. Zowel in het hoger alsook het voortgezet onderwijs wordt deze kennis overgedragen aan nieuwe generaties wereldburgers.

Op het eerste gezicht lijken de geesteswetenschappen er in Nederland goed voor te staan. Het aantal studenten groeit, het onderzoek is hoogwaardig en er is sprake van een groeiende maatschappelijke belangstelling voor de producten van het geesteswetenschappelijk onderzoek. Deze ogenschijnlijke bloei kan niet verhullen dat zich ernstige problemen voordoen die de toekomst van de geesteswetenschappen bedreigen. Zo kon afgelopen jaren ondanks de stijging van het aantal studenten niet of nauwelijks in extra personeel worden geïnvesteerd. Een sterke verslechtering van de staf/studentratio en toenemende druk op onderzoekstijd zijn het gevolg. Ook voor het opleiden van de toekomstige generatie wetenschappers ontbreekt het aan financiële ruimte. Gevolg is dat de pool van kandidaten om de huidige generatie wetenschappelijke staf op te volgen steeds kleiner wordt, wat op termijn de kwaliteit van het hele wetenschapsgebied bedreigt.

Om de negatieve tendens te keren is een integrale aanpak nodig waarin de problemen in onderlinge samenhang ter hand worden genomen. Dat kan niet van de ene op de andere dag, maar vergt een proces van een aantal jaren. Essentieel is daarbij dat van overheidswege geen blauwdruk voorgeschreven wordt. Daarvoor zijn de onderlinge verschillen van de faculteiten en ook de problemen waarmee zij kampen te groot. De levensvatbaarheid van de zogenaamde unica of ‘kleine letteren’ is bijvoorbeeld een probleem dat enkele, maar zeker niet alle faculteiten raakt.

Kern van het voorstel van de commissie is een proces waardoor de geesteswetenschappelijke faculteiten gestimuleerd worden om te werken aan een structurele versterking van hun organisatie. De commissie stelt voor om een deskundig en gezaghebbend regieorgaan in te stellen. Dat beheert een speciaal budget waarop de geesteswetenschappelijke faculteiten een beroep kunnen doen met een overtuigend toekomstplan. Dat plan moet de verschillende deelproblemen (zoals versnippering van het onderwijsaanbod, geringe maatschappelijke uitstraling, lage onderwijsrendementen, betere doorstroming van jong talent in vaste wetenschappelijke rangen etc.) stevig aanpakken.

De analyse van de commissie laat zien dat het om een omvangrijke en structurele problematiek gaat. Daarom is het nodig dat er substantiële middelen ter beschikking komen, in zeven jaar oplopend naar een orde van grootte van 60 à 70 miljoen euro per jaar. Om te voorkomen dat na zeven jaar een herhaling van de problemen ontstaat, moet het geld bij gebleken succes structureel beschikbaar komen voor de sector.

Het rapport is te vinden op de website van de AUP.

Bron: Persbericht Amsterdam University Press

18 dec 08
Voeg een reactie toe

Post title

Post url

Your comment

Author

Comment

Mail

Website

titel *verplicht

reactie *verplicht

Houd me op de hoogte

naam *verplicht

email *verplicht