Top of this document
Go directly to navigation
Go directly to page content

Verhaal

Thematisch programmeren knelt zorg

Het gezondheidszorgonderzoek bij ZonMw kan worden verbeterd door het minder strak te programmeren. Het thematisch programmeren, op zichzelf een uitstekende methode voor het creëren van focus en massa, is voor het gezondheidszorgonderzoek niet altijd geschikt. Te strakke kaders binnen een programma belemmeren een flexibele financiering van het thema-overschrijdende gezondheidszorgonderzoek en een snel inspringen op nieuwe beleids- en praktijkvragen.

Dit schrijft de Raad voor Gezondheidsonderzoek (RGO) in een advies aan minister Klink van VWS. De thematische programmering levert zo'n strikte afbakening op dat het flexibel inpassen van nieuwe vragen uit beleid en praktijk wordt bemoeilijkt, aldus de raad. Kennisgebruikers die afhankelijk zijn van publieke onderzoeksfinanciering zien hun vragen niet of te laat beantwoord. Daar komt bij dat de thematische inkadering niet altijd geschikt is voor gezondheidszorgonderzoek, omdat het steeds meer gaat om thema-overschrijdende onderzoeksvragen, schrijft de RGO. In 2006 werd bijna zestig miljoen besteed aan het gezondheidszorgonderzoek. Dat is ruim zeven procent van het totale budget voor gezondheidsonderzoek. Dit is vergelijkbaar met landen als de VS, Canada en Groot-Brittannië. Het belangrijkste knelpunt is, volgens de RGO, niet de totale omvang, maar de aard van de financiering. In vergelijking met andere gebieden is de eerste geldstroom relatief klein (26 procent), is de tweede geldstroom even klein (28 procent), maar strak ingekaderd, en wordt veel gezondheidszorgonderzoek gefinancierd uit de derde geldstroom (46 procent). Een gevolg hiervan is dat de continuïteit van het onderzoek en de mogelijkheid om kennis als vermogen op te bouwen onder druk staan, en dat het innovatieve vermogen wordt beperkt.

Enkele aanbevelingen van de RGO:
- Versterk de onderzoeksinfrastructuur zodanig dat zowel beleidsvragen als praktijkvragen snel geadresseerd kunnen worden en bied het onderzoeksveld voldoende ruimte voor risicovol, innovatief onderzoek.
- Zorg dat de maatschappelijke kennisagenda voor gezondheidszorgonderzoek bij de publieke onderzoeksfinancier (ZonMw) leidt tot een brede en flexibele onderzoeksprogrammering, zodat ook onvoorziene vragen van grote maatschappelijke waarde snel geadresseerd kunnen worden. Verder kan een 'open ruimte' bijdragen aan extra flexibiliteit en innovatie.
- Zorg voor een betere balans tussen de drie geldstromen en tussen kort- en langlopende projecten. UMC's en universiteiten kunnen daaraan bijdragen door afhankelijk van de werfkracht van de onderzoeksafdeling eerste geldstroommiddelen toe te kennen (interne prestatiefinanciering). Succesvolle onderzoeksgroepen kunnen zo een evenwichtiger verhouding tussen de geldstromen realiseren.
- Faciliteer een rechtvaardige honorering in het Open Programma van ZonMw. Zorg dat de toekenning in de open competitie voor medische wetenschappen recht doet aan de goede kwaliteit van de onderzoeksvoorstellen door uit te gaan van sterktes, en niet van zwaktes.
- Zet een promotie-fellowship programma op met als doel een kwalitatief goede capaciteitsopbouw te garanderen. Het programma moet voorzien in aanvullende subsidies die junior-onderzoekers in staat stellen methodologische problemen in hun onderzoeksproject nader uit te werken.
- Stimuleer internationaal vergelijkend onderzoek. Hoewel gezondheidszorgonderzoek vaak sterk regionaal/nationaal georiënteerd is, zijn resultaten van gezondheidszorgonderzoek in het buitenland soms zeer waardevol voor de Nederlandse situatie. Maak daarom maximaal gebruik van ervaringen in het buitenland door internationaal vergelijkend onderzoek te stimuleren.

Acht onderzoekscentra in de gezondheidszorg hebben elk een onderzoeksbudget van meer dan 3 miljoen euro per jaar en besteden samen ruim driekwart (ruim 45 miljoen) van alle middelen voor gezondheidszorgonderzoek. De acht middelgrote instituten, centra en afdelingen (met een budget van 0,5 tot 3 miljoen euro per jaar) besteden jaarlijks 21 procent (12,5 miljoen) van dit budget. De negen kleine afdelingen (budget van minder dan 0,5 miljoen per jaar) besteden ruim drie procent (2 miljoen) van de middelen. De acht grote centra zijn: NIVEL, iBMG, TNO, het Trimbos Instituut, EMGO, NCEBP (waarvan de afdeling IQ Healthcare het grootste deel voor zijn rekening neemt), de afdeling Maatschappelijke Gezondheidszorg van het Erasmus MC en Caphri.

Bron: Onderzoek Nederland nr. 225, pg.5

9 jan 09
Voeg een reactie toe

Post title

Post url

Your comment

Author

Comment

Mail

Website

titel *verplicht

reactie *verplicht

Houd me op de hoogte

naam *verplicht

email *verplicht