Top of this document
Go directly to navigation
Go directly to page content

Nieuws

Groot, maar toch zo weinig zichtbaar

De financiering van grote onderzoeksfaciliteiten is de afgelopen dertig jaar verschoven van directe geoormerkte financiering van infrastructuur naar impulsfinanciering via programma's en grootschalige projecten. Deze balans is te ver doorgeschoten.

  • 469738021_b5a3e4ab95.jpg

    469738021_b5a3e4ab95.jpg -

    Illustratie: Jim Shank

Impulsen geven weliswaar een betere aansluiting van faciliteiten en onderzoek en het bevordert dat die bottom-up vanuit onderzoeksprojecten ontstaan. Maar, bij veel faciliteiten gaat het om een investering voor de lange termijn. Doelstelling en levensduur sluiten dan niet aan op de financieringsvormen.
Dit is een van de conclusies die Rathenau-onderzoekers Edwin Horlings en Anouschka Versleijen trekken in hun studie 'Groot in 2008: Momentopname van grootschalige onderzoeksfaciliteiten in de Nederlandse wetenschap'. Ze hebben in opdracht van de Commissie van Velzen onderzocht hoe het ervoor staat met de investeringen in grootschalige faciliteiten en hoe Nederland het doet ten opzichte van andere landen. De Commissie Van Velzen adviseert OCW over investeringen die de komende vijf tot tien jaar nodig zijn.
Een opmerkelijke uitkomst van de studie is dat er geen gestructureerd overzicht is van grootschalige onderzoeksfaciliteiten. Dit geldt niet alleen voor Nederland; ook wereldwijd ontbreekt het aan systematisch onderzoek naar de effecten van Big Science. Wat zijn bijvoorbeeld de wetenschappelijke en maatschappelijke opbrengsten? Leiden deze faciliteiten tot een toestroom van onderzoekers? Hebben ze lokale effecten op de economie? De onzichtbaarheid heeft, in elk geval in Nederland, te maken met de financiering. De afgelopen 25 jaar zijn deze investeringen niet langer als aparte begrotingspost zichtbaar bij financiers.
Toch gaat het om een significante post in het onderzoek. De onderzoekers komen tot een lijst met 66 faciliteiten met een grof geschatte investering van 3,5 miljard euro. Een groot deel van de faciliteiten komt niet voor in internationale inventarisaties. Dit gebrek aan zichtbaarheid op Europees niveau geeft Nederland een achterstand in Europese discussies over onderzoeksfaciliteiten. Die zichtbaarheid is, volgens de onderzoekers, vooral belangrijk voor de vraag waar Nederland op grond van bestaande expertise beter
zou kunnen aansluiten bij de ESFRI-roadmap.
Een andere uitkomst is dat Big Science lang niet alleen hardware is, zoals radiotelescopen of onderzoekschepen. Software is minstens zo belangrijk. Dit geldt bijvoorbeeld voor verzamelingen zoals herbaria, of medische gegevens die zijn opgeslagen in databanken, zoals Parelsnoer of bij de bloedbank. Door de schaalvergroting in veel vakgebieden, zijn onderzoekers meer gedwongen tot samenwerking om over onderzoeksfaciliteiten te kunnen beschikken. Samen met de technische ontwikkelingen in ICT leidt dit tot de opkomst van gedistribueerde en virtuele faciliteiten, zoals digitaal toegankelijke collecties van biodiversiteitdata, klimaatdata, biomedische gegevens over bloed- of weefselmonsters in biobanken, en van gegevens uit grootschalige sociologische enquêtes. Onderzoekscollecties worden, vooral in de medische en sociale wetenschappen, steeds belangrijker als grootschalige faciliteiten. Ook in andere disciplines is een trend naar gedistribueerde faciliteiten. Dit geldt bijvoorbeeld voor nanotechnologie, genomics en proteomics en, door de bundeling van MRI-faciliteiten, voor cognitief neurowetenschappelijk onderzoek.
De onderzoekers komen tot de conclusie dat voor de meeste grootschalige faciliteiten een state-of-the-art ICT-backbone als basisinfrastructuur onmisbaar is, ook voor de deelname in ESFRI-faciliteiten. Nederland doet het op dit punt heel goed. De Nederlandse ICT-backbone is een combinatie van zeer snelle internetverbindingen en een groot aantal supercomputers waarvan enkele tot de wereldtop horen.
Daarnaast is er Grid infrastructuur, de basis voor e-science: het gezamenlijk gebruiken van computers en dataopslag voor berekeningen en simulaties.
Er is overigens geen eenduidig criterium voor grootschaligheid. De betekenis van 'groot' is niet hetzelfde in de verschillende disciplines. Zo liggen de investeringen voor faciliteiten in de sociale wetenschappen een ordegrootte lager dan in de astronomie of de fysica. Verder is de feitelijke waarde van faciliteiten die in de loop der jaren geleidelijk grootschalig zijn geworden vaak onbekend. Sommige zijn alleen groot als internationaal netwerk, terwijl de nationale knooppunten in het netwerk klein zijn. De Rathenauonderzoekers concluderen dat het beleid met dit gegeven rekening moet houden bij de selectie en financiering.

Bron: Onderzoek Nederland, nr. 227, p. 5.

6 feb 09
Voeg een reactie toe

Post title

Post url

Your comment

Author

Comment

Mail

Website

titel *verplicht

reactie *verplicht

Houd me op de hoogte

naam *verplicht

email *verplicht