Top of this document
Go directly to navigation
Go directly to page content

Nieuws

Laane volgt het Vlaamse spoor

Op dit moment lopen alleen al in de life sciences circa 25 verschillende publiek-private samenwerkingsprogramma's. De uitgaven voor deze PPSen pieken dit jaar en lopen dan sterk af totdat in 2015 het laatste programma stopt.

  • 2534711033_7e103eda11.jpg

    2534711033_7e103eda11.jpg -

    Illustratie: Pogo Stick

Het gaat in alle gevallen om tijdelijke financiering. Ongeveer de helft komt van de overheid. De andere helft komt van de industrie en van kennisinstellingen die elk een kwart bijdragen, de industrie deels in cash, de instellingen in kind. In totaal besteedt Nederland circa 1 miljard per jaar aan onderzoek in PPSen. Voor de life sciences gaat het om een bedrag van 400 miljoen euro per jaar, waarvan 100 miljoen naar het genomics onderzoek gaat.
Om te voorkomen dat deze investeringen in life-sciences na afloop van een PPS verloren gaan is er een masterplan in de maak dat NGI-directeur Colja Laane vorige week presenteerde op het Genomics Momentum in Rotterdam. Laane is voorzitter van de taskforce life sciences van NWO.

Volgens Laane geven de PPSen de innovatie in Nederland een belangrijke stimulans. Ze leiden tot kritische massa, tot een focus op onderwerpen die economisch en maatschappelijk relevant zijn, tot nauwe banden tussen kennisinstellingen en bedrijfsleven en tot een actieve betrokkenheid van het MKB. Hij schat de
uiteindelijke oogst van de 5 miljard euro die in vijf jaar in de PPSen wordt geïnvesteerd op meer dan 15.000 wetenschappelijke publicaties, 2500 proefschriften, ongeveer 1800 patenten, 1000 licenties, 200 spin-offs, en een omzet die na tien jaar meer dan 10 miljard euro bedraagt. Voeg daarbij nog eens 48.000 hoogwaardige
nieuwe banen.
Het masterplan, 'Life Sciences 2020', vormt een samenhangende en vraaggestuurde toekomstvisie voor de Nederlandse life sciences. Het plan beoogt na afloop van de lopende PPSen een structurele financiering die gestuurd wordt door de output van het onderzoek. Het budget van dit programma zou in lijn moeten zijn met de Lissabon doelstelling. Dit betekent dat het budget 1,5 maal zo groot moet worden als het lopende, of wel 600 miljoen per jaar structureel voor de life sciences. Laane rekent voor dat iedere euro die wordt geïnvesteerd in dit onderzoek op een termijn van tien jaar 2 euro oplevert aan omzet van life sciences bedrijven. Het idee is om het programma output gefinancierd te maken, dus afhankelijk van de opbrengsten aan wetenschappelijke publicaties, octrooien, spin-offs en dergelijke. „Het niet halen van de vooraf vastgestelde doelen betekent dat een project niet kan rekenen op vervolgfinanciering. We hebben hierbij gekeken naar het model van het Vlaams Instituut voor Biotechnologie, dat bijzonder succesvol is.”

Clustering

Het plan voorziet in een vergaande clustering van de bonte lappendeken aan programma's, topinstituten
en technologische instituten die de afgelopen jaren is ontstaan. Het idee is om de komende jaren te komen tot vier grote clusters: rode, witte, groene en lichtgroene life sciences. Of wel: een biofarmaceutisch cluster met instituten als TI Pharma, CTMM en BMM; een cluster witte biotechnologie met programma's als B-Basic, Ecogenomics en het Kluyver centrum; een agrocluster met het TTI Groene Genetica, Transforum en dergelijke; en tot slot een lichtgroen food cluster met bijvoorbeeld het TopInstituut Food and Nutrition, de Food and Nutrition Delta, Nutrigenomics etcetera. Bij de clustering zullen ook de technologische instituten een plaats krijgen, zoals het Proteomics Centre en het Bio-informaticacentrum NBIC.
Deze clustering sluit nauw aan bij de sleutelgebieden van het Innovatieplatform: Chemie, Flowers & Food, en Life Sciences and Health. Laane verwacht dat de clustering ook economische voordelen zal opleveren. Door backoffices te combineren valt er een flinke kostenbesparing te realiseren. Zo is het plan om het Kluyvercentrum en B-Basic meer gezamenlijk te laten optrekken. Hetzelfde geldt voor het Ti Pharma, CTMM en BMM.
Laane wil de clusters het liefst onderbrengen bij een eigen regiegroep. De gebieden Chemie en Life Sciences and Health hebben al een eigen regiegroep. Agro en Food zouden ook een regiegroep moeten krijgen, eventueel gecombineerd. „De regiegroepen moeten zorgen voor coördinatie en clustering, terwijl de uitvoering van de programma's bij organisaties, zoals NWO en Senternovem, kan komen te liggen.” Vertegenwoordigers van de vier clusters hebben vorige week een eerste aanzet gegeven tot een visie op het plan. Elk van deze clusters is al bezig met het schrijven van een clusterplan. Het totale plan zal tegen de zomer gereed zijn,
zo verwacht Laane. In de nieuwe en voorlopig laatste FES-ronde, die 1 maart sluit, zal de eerste clustervorming al zichtbaar worden.

Bron: Onderzoek Nederland, nr. 222, p. 1-2

21 nov 08
Voeg een reactie toe

Post title

Post url

Your comment

Author

Comment

Mail

Website

titel *verplicht

reactie *verplicht

Houd me op de hoogte

naam *verplicht

email *verplicht