Top of this document
Go directly to navigation
Go directly to page content

Verhaal

2

Dit is het einde van het wetenschapsbeleid

In wetenschap, technologie en innovatie spelen inmiddels zoveel actoren een rol, dat er van een nationaal wetenschapsbeleid geen sprake meer kan zijn. Dat moet minister Plasterk zich realiseren. En het vraagt om een nieuwe rol voor adviesorganen als de AWT.

  • 659315_5ba9794c89.jpg

    659315_5ba9794c89.jpg -

    Illustratie laughlin

Dit zegt Arie Rip, emeritus hoogleraar filosofie van wetenschap en techniek aan de Universiteit Twente. „Mijn advies aan premier Balkenende zou zijn om de huidige taken van de AWT en de relaties met de ministeries open te gooien. De AWT en zijn voorganger de RAWB hebben in het verleden goede adviezen gegeven. De overheid zou gebruik moeten maken van de expertise van deze raad, die bestaat uit goedwillende amateurs met een lange carrière en een brede blik op wetenschaps- en technologiebeleid en innovatie. Bovendien zijn de leden bereid er flink wat tijd in te steken. Er zit continuïteit in de onderwerpen die de AWT, en eerder de RAWB, aan de orde stelt, zoals het creëren van focus en massa in het universitaire onderzoek, het stimuleren van innovatie en het landelijk coördineren van het door de overheid gefinancierde onderzoek.”

Rip volgt de internationale ontwikkelingen in het wetenschaps-, technologie- en innovatiebeleid al veertig jaar, een periode die samenvalt met het bestaan van de Raad van Advies voor het Wetenschapsbeleid, en zijn opvolger AWT, de Adviesraad voor het Wetenschaps- en Technologiebeleid. „Ik zie vijf fasen in deze periode. In 1957 werd de westerse wereld wakker geschud door de komst van de eerste Russische
satelliet, de Spoetnik. Dit leidde ertoe dat wetenschapsbeleid werd opgebouwd. Overheden hadden behoefte aan deskundig advies. Nederland was hier relatief laat mee, pas in 1967 werd de RAWB opgericht.”

„In de tweede fase van het wetenschapsbeleid, zichtbaar vanaf 1967 en doorlopend tot 1975, ontstond er bij de overheden in de meeste Westerse landen aarzelingen over een dergelijk adviesorgaan, omdat de verschillende ministeries intussen hun eigen expertise hadden opgebouwd. Nederland kreeg in die tijd een minister voor wetenschapsbeleid die zonder eigen budget de andere departementen moest zien te overtuigen van het belang van coördinatie.” „Tussen 1975 en 1985 fungeerde de RAWB als een primus
inter pares. De raad had een gezaghebbende stem temidden van de vele andere adviezen en suggesties die op het ministerie afkwamen.” In die periode begon de kennisproductie te veranderen; wetenschap en technologie werden gezien als de motor van economische groei. Veelbelovende gebieden zoals ICT, biotechnologie en later genomics, versterkten het opkomende regime van Strategic Science. OCW kwam in 1979 met een nota over het innovatiebeleid, een gebied dat later helemaal werd overgenomen door EZ. Rip:
„Tussen 1985 en 2000 verschoof de rol van de AWT steeds meer naar die van een denktank, en wel over de uitdagingen die het nieuwe regime inhield.”

Rip ziet sindsdien consolidatie van het nieuwe regime, maar tegelijkertijd ook verdere overbrugging van de grenzen tussen wetenschap en maatschappij: „Het wetenschaps- en technologiebeleid is niet langer het monopolie van de overheid. Het beleid wordt ook door andere actoren bepaald, zoals maatschappelijke organisaties en patiëntenverenigingen. De maatschappij zelf wordt een laboratorium waar collectieve experimenten plaatsvinden.” Het gedistribueerde karakter van innovatie wordt steeds duidelijker, zoals bij open source software en open innovatie. De rol van de overheid is minder groot, en in elk geval minder
duidelijk, zegt Rip. „Bovendien is er een structureel probleem. De aangrijppunten voor overheidsbeleid zijn organisaties, kennisinstellingen en bedrijven. Maar de dynamiek, en dus de uitdaging, wordt gevormd door netwerken en open innovatie.” De denktank AWT kan nog steeds met waardevolle inzichten en adviezen komen, maar de vraag is voor wie, zeker nu de centrale overheid niet geadviseerd lijkt te willen worden.

Wat moet de AWT als de overheid niet luistert? „Misschien moet de AWT de vrije adviesmarkt op”, zegt Rip half serieus. Hij wijst op Amerikaanse thinktanks die met achtergrondstudies komen en zich in leven kunnen houden door een basisinkomen uit giften en legaten. Zo'n stap zou passen in een bredere trend waarin de overheid terugtreedt en het veld zichzelf organiseert. Deze trend is zelfs zichtbaar bij NWO , zegt Rip: „Vroeger was NWO een kanaal om overheidsgelden te verdelen. Nu probeert NWO een eigen strategie te ontwikkelen. Het is een operator geworden in plaats van een doorgeefluik. Je kunt daarom stellen dat begin 21ste eeuw het einde markeert van het nationale wetenschapsbeleid. Het toegenomen zelforganiserende vermogen van het wetenschapssysteem maakt centraal georganiseerd wetenschapsbeleid overbodig.”

Sinds de jaren tachtig is het wetenschaps-plus-innovatiebeleid op OCW in de versukkeling geraakt, zegt Rip. De ambtelijke expertise die was opgebouwd is voor het overgrote deel verdwenen. In plaats van die weer op te bouwen zou Plasterk de expertise van de denktank AWT (en enkele andere instanties) kunnen gebruiken. Dat zou betekenen dat de AWT, na zijn midlife puzzel als veertigjarige, in elk geval één geïntereseerd gehoor heeft. "Minister Plasterk heeft wel ambities, maar als hij de verantwoordelijkheid voor een nationaal wetenschapsbeleid naar zich toe wil trekken, moet hij accepteren dat zo'n wetenschapsbeleid veel breder is dan het berijden van enkele stokpaarden zoals het stimuleren van jonge excellente wetenschappers en het zelf laten clusteren van onderzoek.”

Bron: Onderzoek Nederland, nr. 191, p. 4

2 reacties

De problemen van inter-disciplinary research en publicatie

Waarom internet zo populair is voor non-establishment research en resultaten.

Uit eigen ervaring. Na de publicatie van een kort (16 pgs)en direct bewijs van Fermat's Last Theorem (vs. A.Wiles' very long: 150+20 pgs, and indirect proof) na 10 jaar van tenminste 15 submissions ( pc2.iam.fmph.uniba.sk/amuc/_vol74n2.html in de Acta Mathematica Nov.2005, p169-184, Univ.Bratislava)
stelde ik, bijna cynisch geworden, het volgende Publication Lemma op:

On the likelyhood of a correct proof to be accepted by a respectable math-journal:

Let math-problem MP have age Y years, be well known by WK % of the general math community, and let the proof have complexity index CPX (somewhat subjective, depending on # pages and method used;-) with an extra "Stigma Index" SI (very high for special problems of popular & simple definition like FLT, Goldbach; e.g. Riemann_Hypothesis and Cantor_Continuous_Hypothesis have a lower SI), and some scaling constant k, then the probabilty P_acc of acceptance of the proof(MP) is:

P_acc{proof(MP)} = k. [CPX / (WK.Y)] 2^{-SI}

In other words: the simpler your proof, and the better & longer known the problem, the lower your chance of acceptance and publication is! (assuming the proof is correct, of course).

My estimate of P_acc for a simple proof(FLT) is about zero, due to its very high denominator: WK = 100%, Y = 360, and high SI value. Only because of Wiles' extremely high CPX proof did it pass, plus the fact that he did actualy prove something else [EC=MF: Elliptic Curves = Modular Forms] much more constructive than the FLT inequality: after all, *what* can one *do* with an INequality? Well, actually more than you think:
FLT means the anti-closure of n^p[+] , see www.iae.nl/users/benschop/anti-cl.htm

That P_acc is proportional to proof complexity CPX requires some psychological insight: the higher CPX the easier it is for the math community to admit it was not found earlier (very high CPX is a perfect excuse) cq: a clear & simple proof is highly suspect and makes it especially difficult to admit being not found within the profession.
Another tip: a simple proof of a difficult problem almost certainly will not be found inside the establishment, since some essentialy foreign concept must be missing in the known attacks (an approach ' via a different way ' may yield a surprisingly simple proof; here: the application of semigroup theory to residue arithmetic, extended with a carry to reach the integers).

NB: a typical example of inter-disciplinary innovation is the invention of the CD (compact disc) by Philips in the eighties. It required the combination of totally different disciplines: physics (for the laser), chemistry and electro-mechanics (for the disc and its controls), and digital math (for encoding the data in binary form, and cryptology for safeguarding it against corruption). Since the audio department found the possible improvement of LP sound quality (the only application considered;-) unnecessary, the project was almost killed...
For a publisher to find reviewers for an inter- disciplinary paper is very difficult, since such person must be qualified in the various disciplines involved. Hence such work often remains eventually unpublished, laying in a drawer somewhere. However, nowadays the internet brings solace.

Nico Benschop, 7 juli 08, 17:38

Beleid aanpassen aan de tijd.

Interessante analyse van Arie Rip, m.b.t. het einde van nationaal wetenschapsbeleid, vanuit OCW en EZ. Maar een einde hoeft het m.i. niet te zijn, moet het ook niet zijn.

Een dergelijke ontwikkeling heeft zich breder, bijvoorbeeld op het niveau van de vakdeparttementen zoals bij Verkeer & Waterstaat, eveneens - en zelfs eerder - voorgedaan. Zo werden kennismonopolies bij Rijkswaterstaat en de GTI's in het kielzog van de Deltawerken geleidelijk tot relatieve achterstanden op een brede kennismarkt met hoogwaardige ingenieursbureaus en de technische universiteiten. De Technisch Wetenschappelijke Diensten van Rijkswaterstaat zijn nu omgezet in landelijke service diensten die 'inkopen' doen op de kennismarkt ten behoeve van uitvoering en beleid van het ministerie. Het departement heeft zich aangepast. Ook de interdepartementale kennisdirecties die recent opkomen zijn een uiting van een veranderende benadering bij de departementen (waar EZ en OCW in deelnemen).

In plaats van het wetenschapsbeleid overboord gooien, lijkt het mij dan ook beter om het over een andere boeg te gooien. Misschien is een term als 'maatschappelijk kennismanagement' een aanduiding die de publieke verantwoordelijkheid in deze verandering goed weergeeft. In plaats van inhoudelijk-strategische bemoeienis, meer aandacht voor de gewenste opbrengsten en voor de randvoorwaarden, zowel in termen van publieke middelen als van publieke bewaking van maatschappelijk te borgen normen en waarden. Dus niet: weg met landelijk wetenschapsbeleid; maar een ander beleid. Een beleid dat aangepast is aan de tijd waarin - zoals Rip terecht schetst - vele (beleids-)kennishebbende en kenniszoekende partijen actief zijn. De verbreding van de (beleids-)kennismarkt op OCW en EZ terrein betekent m.i. dat het wetenschapsbeleid moet verschuiven in de richting van voeden en bewaken. Voeden van mogelijkheden, waar de markt niet in voorziet, door financieringssystemen, en bewaken van grenzen, die de markt zou kunnen overgaan, via kwaliteitsborging en het articuleren van grenzen, zoals bijv. in de recente discussie over embryoselectie. Die voeding en bewaking is een interdepartementale aangelegenheid, zoals vroeger.

Robert Braam, 6 juli 08, 23:42
Voeg een reactie toe

Post title

Post url

Your comment

Author

Comment

Mail

Website

titel *verplicht

reactie *verplicht

Houd me op de hoogte

naam *verplicht

email *verplicht