Verhaal
Tindemans en Soete bepleiten cluster EIT
Een European Institute of Technology met onderzoeksgemeenschappen verspreid over heel Europa, zal niet werken. Beter is het aansluiting te zoeken bij de regionale hot spots en daar clusters te creëren, op specifieke technologiegebieden.

2593426999_bd1d88fdbe.jpg -
Illustratie crabchick
Dat concluderen Peter Tindemans (ex-OCW) en Luc Soete (UNUMERIT) in een advies over de opzet van een European Institute of Technology (EIT), dat zij schreven op verzoek van het Europees parlement. In het advies maken Tindemans en Soete gehakt van het voorstel van Commissievoorzitter Barroso, waarover de lidstaten nu een moeizame discussie voeren. Barroso wilde aanvankelijk, naar voorbeeld van MIT, een groots European Institute of Technology vestigen, ergens in de Unie. De universiteiten en onderzoeksinstellingen zouden hun beste onderzoeksgroepen detacheren naar dat EIT, dat meteen een technologieinstituut van wereldformaat zou zijn. Dat plan moest Barroso al snel inslikken omdat het de lidstaten veel te ver ging. In plaats daarvan ligt nu een voorstel op tafel voor een virtueel EIT.
Kern van dat EIT zijn de Knowledge and Innovation Communities (KIC) op specifieke technologiegebieden, bestaande uit zo'n honderd stafleden, driehonderd onderzoekers en honderden postdocs en promovendi. In het nieuwe voorstel van de Commissie zitten die niet bij elkaar, maar verspreid over verschillende
universiteiten en onderzoeksinstellingen in Europa.
Dat gaat niet werken, zeggen Tindemans en Soete. Tindemans: „Het idee van onderzoeksteams die verspreid zijn over heel Europa werkt niet. De onderzoeksinspanning wordt daarmee versnipperd en heeft geen enkele additionele waarde. Toegevoegde waarde in het onderzoek en in de samenwerking tussen
kennisinstellingen en industrie krijg je pas als mensen in elkaars nabijheid zijn.” Terug naar Barroso's oorspronkelijke voorstel dan maar? Nee, zegt Tindemans: „Je ziet in Europa op bepaalde technologiegebieden al regionale concentraties groeien. Daar moet je bij aansluiten. Je moet voor belangrijke technologiegebieden kijken wat de regio's doen, wat nationale overheden doen, en hoe Europa daarbij kan aansluiten.”
In de visie van Tindemans en Soete komt er niet één fysiek EIT en geen gedispergeerd virtueel EIT, maar vele EIT's voor specifieke technologiegebieden die gevestigd zijn op één, hooguit twee locaties. Tindemans: „Neem de microelektronica. Wetenschap en industrie zijn het erover eens wat de grote vragen zijn voor de komende tien, twintig jaar. En Europa beschikt over goede academische groepen om die te onderzoeken. Daarnaast zijn er sterke centra die tussen wetenschap en bedrijfsleven in zitten. En dat zijn er op dit gebied maar een paar: Leuven, Dresden en Grenoble. De industrie, die ook nog zijn eigen R&D-activiteiten heeft, zegt duidelijk geen behoefte te hebben aan nog meer kenniscentra op dit gebied. Je kunt aansluiten bij de regionale sterktes die er al zijn.”
In het model van Tindemans en Soete kunnen universiteiten en onderzoeksinstellingen die over zo'n regionale sterkte van Europees formaat denken te beschikken, in competitie meedingen naar de status van European Institute of Technologie voor dat technologiegebied. Eindhoven zou dat kunnen doen voor nanoelektronica of embedded systems. Maar dan liefst in samenwerking met Leuven en Aken, zegt Tindemans, want we moeten bij de ontwikkeling van regionale sterktes verder kijken dan de landsgrenzen. Voordeel is dat een universiteit niet zijn beste onderzoeksgroepen hoeft af te staan aan een of ander Europees instituut, maar zelf de basis kan zijn voor een European Institute of Technology.
In het clustermodel van Tindemans en Soete bestaat een European Institute of Technology uit zo'n driehonderd wetenschappelijke stafleden, exclusief promovendi maar inclusief gastonderzoekers van binnen en buiten Europa en postdocs. Zo'n EIT zou een budget moeten hebben van 60 tot 70 miljoen euro per jaar, exclusief behuizing die door de gastinstelling ter beschikking gesteld moet worden. Het budget zou voor eenderde basisfinanciering moeten zijn, voor eenderde moeten komen uit lokale, regionale en nationale subsidies, en voor eenderde uit competitieve gelden uit publieke en private bronnen.
Op die manier kunnen in de loop van enkele jaren twintig EIT's worden opgezet. De basisfinanciering daarvan vergt 500 miljoen per jaar. Dat is meer dan viermaal zoveel als Barroso uittrekt in zijn plan. Als het bij de huidige, magere financiële vooruitzichten blijft, moet er begonnen worden met minder EIT's. Of er moet gekeken worden of kleine groepen van EU-lidstaten een deel van de basisfinanciering van een EIT voor hun rekening willen nemen. Er is nog een derde mogelijkheid, zeggen Tindemans en Soete: de EU kan de middelen die het steevast overhoudt aan het eind van ieder boekjaar, stoppen in een innovatiefonds, in plaats van die terug te geven aan de lidstaten zoals nu gebeurt. Uit dat fonds zou dan de basisfinanciering van EIT's gehaald kunnen worden.
In het clustermodel van Tindemans en Soete is Europa verlost van de ingewikkelde discussie over het toekennen van academische graden en het uitreiken van diploma's. Er is veel weerstand gerezen tegen het idee dat een EIT die bevoegdheden naar zich toe zou trekken. Dat is niet gewenst en het is ook niet nodig, omdat nu bestaande universiteiten zelf een EIT opzetten. Tindemans: „De waarde van een academische graad is gebouwd op de naam en reputatie van de universiteit. Een bul van Cambridge heeft daarom een andere waarde dan een bul van Palermo. Studenten kiezen voor een bepaalde universiteit omdat ze tot die
wetenschappelijke gemeenschap willen behoren. Dat moet je niet veranderen. Kijk alleen al naar het groeiende belang van alumni, niet alleen voor henzelf maar ook voor de universiteit waaraan ze verbonden zijn geweest.”
Bron: Onderzoek Nederland nr. 187, p. 1
Voeg een reactie toe