Bovenkant van de pagina
Ga direct naar de navigatie
Ga direct naar de content

Verhaal: ON 31

Allemaal meningen, maar geen empirie

4 apr 2008

Het klinkt bijna triviaal, vindt Cornelis van Bochove, maar het is nog nooit gedaan: het koppelen van gegevens over de onderzoeker en de wijze waarop zijn onderzoek is georganiseerd, aan de wetenschappelijke output.

Samen met het Rathenau Instituut, en eventueel KNAW en CBS, wil hij een nationale, zo mogelijk Europese datafaciliteit opzetten, waarin gegevens van onderzoekers worden gekoppeld aan bibliometrische gegevens over wetenschappelijke productie.

Van Bochove, twee maanden geleden benoemd tot hoogleraar wetenschapsbeleid bij het Centrum voor Wetenschapsen Technologiestudies (CWTS) in Leiden, was directeur Onderzoeks- en Wetenschapsbeleid bij OCW. In Leiden is hij belast met de opdracht het nieuwe vakgebied 'evidence based' wetenschapsbeleid op poten te zetten. Waarbij hij het wetenschapsbeleid definieert als 'beleid dat invloed heeft op de productie van wetenschappelijke kennis'. Van Bochove: „Het is opvallend hoe weinig empirische onderzoeksgegevens er zijn over wetenschapsbeleid. Vrijwel alle adviezen zijn gebaseerd op opvattingen. Over persoonsgebonden financiering bijvoorbeeld, of over het nut van research councils. Vrijwel nooit zijn die adviezen onderbouwd met kwantitatief onderzoek dat laat zien: als je dit doet, dan gebeurt dat.”

Volgens Van Bochove onderscheidt het wetenschapsbeleid zich daarmee in negatieve zin van het innovatiebeleid. Dat is wel voor een belangrijk deel gebaseerd op empirische gegevens, zoals de statistieken die de OECD verzamelt en aggregeert in de Frascati handboeken, en de Community Innovation Survey van de Europese Commissie. Van Bochove: „Hoewel je er kritiek op kunt hebben, maakt Economische Zaken daar goed gebruik van bij het vormgeven van het innovatiebeleid.”

Het ontbreken van empirische gegevens maakt het lastig om een wetenschapsbeleid te voeren, meent Van Bochove. „Beleid is keuzes maken. Maar je weet niet waar je die keuzes op moet baseren. Welke prioriteiten moet je stellen? Moet er meer geld naar genomics of toch naar de studie van Sanskriet? Moet je je geld steken in enkele grote infrastructurele faciliteiten of krijg je juist meer wetenschappelijke output als je veel kleine faciliteiten financiert? Moet je de nadruk leggen op onderzoek dat door de nieuwsgierigheid wordt gedreven of haal je meer uit je euro als je de nadruk legt op onderzoek dat bijdraagt aan de economische prestaties van bedrijven of dat een bijdrage levert aan het oplossen van maatschappelijke problemen?”

„Naast dit type vragen heb je in het wetenschapbeleid ook te maken met de vraag of je output verbetert door lump sum financiering, zoals de eerste geldstroom, of dat je meer baat hebt bij projectfinanciering, de tweede geldstroom, of juist bij persoonsgebonden financiering zoals de Vernieuwingsimpuls. Andere vragen betreffen de organisatie van het onderzoek en - niet onbelangrijk - het managen van de human resources. Wetenschapsbeleid is personeelsbeleid, heeft Casimir ooit gezegd. Maar gaan we goed om met onze promovendi en postdocs? En weten we zeker dat de tenure track de wetenschappelijke output verhoogt. Of dat die daalt als iemand boven de 40 is? Iedereen heeft er wel een mening over, maar de onderbouwing ontbreekt.” De wetenschappelijke productie is tegenwoordig goed te meten, zegt Ton van Raan, die even bij het gesprek is aangeschoven. „Althans voor de exacte en de medische wetenschappen die deel uitmaken van het 'web of science', bestaande uit wetenschappelijke tijdschriften. Voor ingenieurswetenschappen en humaniora is de dekkingsgraad wat minder, omdat deze disciplines minder gebruik maken van internationale tijdschriften. Hun output verschijnt vaak in boeken, proceedings en rapporten. Dat vraagt om nieuwe vormen van bibliometrie en daar zijn we ook druk mee bezig. Ook valorisatie, willen we gaan meten.”

Van Bochove: „Alles staat of valt met de vraag hoe de wetenschappelijke output tot stand komt. Daarover kun je hele wetenschapsfilosofische beschouwingen ophangen, maar daarnaast is er toch ook behoefte aan concepten en gegevens om het wetenschapsbeleid empirisch te onderbouwen. Ik zie het als mijn taak om - samen met anderen – concepten te ontwikkelen waarmee je empirisch onderzoek kunt doen. Niet alleen in Nederland, maar wereldwijd. Wat de financiering betreft, kennen we in Nederland de eerste geldstroom. Hoewel afkomstig van de overheid, is die geldstroom vergelijkbaar met de 'endowment', het particuliere kapitaal waarover een universiteit als Harvard kan beschikken. Het is geld voor vrij onderzoek.”

Ook de organisatie en het personeelsbeleid wil Van Bochove vangen in algemeen hanteerbare concepten. Op basis daarvan wil hij de verschillende aspecten van het wetenschapsbedrijf categoriseren, gegevens verzamelen en die met elkaar in verband brengen. „Naast conceptontwikkeling zie ik als mijn tweede grote taak het opzetten van een databestand met daarin gegevens van onderzoekers. Over hun aanstelling bijvoorbeeld, maar ook de manier waarop hun onderzoek wordt gefinancierd, de organisatie van hun instituut, de betrokkenheid van bedrijfsleven en andere partijen. Zeg maar een beroepsenquête, zoals we die vroeger deden bij het CBS (Van Bochove is econometrist, red.). Als je die gegevens van onderzoekers kunt koppelen aan bibliometrische gegevens over wetenschappelijke output, zoals Van Raan en anderen die verzamelen, dan kun je op den duur gefundeerde uitspraken doen over de effectiviteit van het wetenschapsbeleid. En daar gaat het om.”

Bron: ON209, pagina 4

Bijdragen 
1 … 10 / 31 Volgende »

Gaia1956
,
28 sept 2020,16:30
Gaia1956
,
28 sept 2020,16:30
Gaia1956
,
28 sept 2020,16:30
Gaia1956
,
28 sept 2020,16:29
Gaia1956
,
28 sept 2020,16:29
Gaia1956
,
28 sept 2020,16:29
Gaia1956
,
28 sept 2020,16:29
Gaia1956
,
28 sept 2020,16:28
Gaia1956
,
28 sept 2020,16:28

amoura

Gaia1956
,
28 sept 2020,16:28
1 … 10 / 31 Volgende »