Bovenkant van de pagina
Ga direct naar de navigatie
Ga direct naar de content

Nieuws: ON

Potocnik wil weer totaalvoetbal zien

7 nov 2008

Nederland heeft de beste onderzoekers in de wereld. Maar het zijn er te weinig, ze zijn te weinig vrouw, en ze krijgen te weinig geld om bij de wereldtop te blijven.

Dat zei EU-commissaris Janez Potocnik in een gesprek dat Onderzoek Nederland vorige week met hem had. „Nederland heeft 4,8 onderzoekers per duizend werkenden. Het gemiddelde in de EU is 5,5. Als het gaat om het aandeel van vrouwelijke onderzoekers staat Nederland letterlijk onderaan de Europese lijst; 18 procent van de Nederlandse wetenschappers is vrouw, tegenover een gemiddelde van 30 procent in de EU. En het ziet er niet naar uit dat er snel verbetering komt in de Nederlandse situatie. In de EU zit 23 procent van de jonge afgestudeerden in natuurwetenschappen en techniek; in Nederland is dat 16.5 procent. Van die Europese afgestudeerden is 31,2 procent vrouw; in Nederland is dat 19,5 procent. Kortom: Nederland heeft te weinig onderzoekers.”
Maar Nederlandse universiteiten staan hoog genoteerd in de internationale ranglijsten, en Nederlandse onderzoekers halen relatief veel subsidies binnen, ook uit Brussel. Helemaal waar, zegt Potocnik, „Maar dat kan het resultaat zijn van investeringen in het verleden. Nederland moet het risico onder ogen zien dat zijn kennisbasis wordt aangetast door het huidige niveau van investeringen. De R&D-intensiteit is lager dan het EU-gemiddelde. En hij stijgt niet, maar daalt.”
„Bovendien is Nederland niet erg succesvol bij het aantrekken van buitenlandse R&D-investeringen. In Ierland zijn buitenlandse ondernemingen goed voor 70 procent van de private R&D-investeringen, in België is dat 50 procent, maar in Nederland slechts 30 procent.”

Volgens Potocnik is duidelijk wat Nederland moet doen: meer investeren in R&D, en meer mensen doen kiezen voor een wetenschappelijke loopbaan. De EU kan helpen door een verdere ontwikkeling van de Europese Onderzoeksruimte (ERA), zegt Potocnik: „We hebben dit jaar maatregelen genomen ten bate van de mobiliteit van onderzoekers, de juridische basis van Europese onderzoeksfaciliteiten, kennisbescherming en gezamenlijke onderzoeksprogrammering. De filosofie is steeds: we kunnen samen meer dan alleen.”
Niet al die initiatieven vallen in goede aarde. Zo is er bij de lidstaten veel argwaan bij de voorstellen voor gezamenlijke onderzoeksprogrammering. Het is traditioneel een terrein waarop iedere Brusselse bemoeienis wordt gewantrouwd, want de nationale onderzoeksbudgetten zijn in het geding, en geen regering wil zijn belastingbetalers vertellen dat een groot deel van de beschikbare middelen naar buitenlandse
onderzoekers is gegaan. Potocnik: „Ik kan me die argwaan voorstellen. Maar de Commissie wil niet de macht grijpen om de nationale onderzoeksprogrammering te sturen. We willen samenwerking van lidstaten ondersteunen. Maar vrijwilligheid en variabele geometrie blijven de basis; landen zullen nooit worden verplicht deel te nemen.”

In vervolg op die voorstellen van de Europese Commissie, startte de EU-Concurrentieraad het zogenoemde Ljubljanaproces (zie ook pagina 8). Potocnik: „Het Ljubljana-proces moet antwoord geven op de vraag hoe de Europese Onderzoeksruimte er in 2020 moet uitzien. Als we het daarover eens zijn, kunnen we beslissen hoe de Europese Commissie en de lidstaten die samen gaan realiseren.” In deze tijden van financiële crisis neemt de bereidheid te investeren in onderzoek en ontwikkeling af. Terwijl die zou moeten toenemen, zegt Potocnik: „Crises als deze vragen om herstructurering en vernieuwing. We kunnen sneller uit de crisis komen als we innovatieve producten ontwikkelen en een nieuwe vraag creëren. Vergelijk het met de ingrijpende herstructurering van Finland in de jaren negentig. Finland is nu Europa's meest innovatieve economie. Herstructurering vergt moed. En die moed lijkt er te zijn; de versterking van de economie is geen holle frase meer, de Europese leiders zien de noodzaak ervan.” Nederland moet zorgen dat het daarin weer leider kan zijn, zegt Potocnik: „Ik ben een voetballiefhebber. En wij voetbalfans hebben altijd grote bewondering gehad voor het Nederlandse totaalvoetbal. Die wijsheid moet nu worden vertaald naar een concept van totaalinnovatie, onder leiding van Nederlandse spelers.”

Bron: Onderzoek Nederland, nr. 221, p. 2

Bijdragen 
Reacties